mud magazine
facebook twitter instagram

Niets te dragen

22/03/2016

Tekst en beeld: Nick van Dommelen

Hier lig ik in dan, in een tjokvolle kledingcontainer. Een slipje in mijn ene mouw, een warrige kwast in de ander. Ik belandde hier al na twee keer gedragen te worden. Maar liefst twee fucking keer. Dat geloof je toch niet?!

Mijn ex nam mijn aanwezigheid nooit echt in dank af. Dat mag duidelijk zijn. Het deed haar niets dat ik meer gereisd en gezien heb dan zij ooit zal doen. Zij gaf geen gehoor aan mijn verhalen over rijk en arm of jong en oud. Door deze desinteresse droomde ik vanaf dag één al over een leven zonder haar.

Ik weet het nog goed. Het is de eerste ochtend van de zomersale. Een grote groep mensen verzamelen bij de voordeur. Kijkend en wijzend speuren ze door het raam naar potentiële aankopen. Een driedelig pak en een drietal beveiligers stellen zich binnen op voor de winkelpoortjes. Aan de overzijde van de straat hangt een grote groene klok en wanneer zijn grote groene wijzer naar de hemel wijst, breekt de hel los. De deuren zijn nog niet eens uitgeschoven voordat de eerste klant zich voorbij de beveiligers wurmt en het op een sprinten zet. De muur van beveiligers breekt waardoor iedere toetreder vrij spel krijgt. Ze duwen, trekken en worstelen zich langs de mannen in zwart. Het was menens. Mensen graaien in de rondte en bakkeleien tegen elkaars dovemansoren aan. Vreemd vond ik dat.

We worden van plek naar plek gezeuld en gepast in alle hoeken van de zaak. Bij de lingerie, tussen de jeans, in de lift, noem het maar op. Het is pas later, na vele keren passen en gepasseerd worden, dat ik haar ontmoet. Mijn ex. Ik lig al een tijdje tussen de truien gepropt, nadat ik de zoveelste pasronde niet heb overleefd. Ze zoekt naar een andere maat trui, maar vindt mij per toeval in de stapel. Ik ben op slag verliefd. Ze was mijn eerste. Mijn enige. Mijn alles. Misschien wel de ware. Op dat moment voelt het even alsof wij de rest van ons leven samen zouden blijven. Dat zij er anders over denkt, leer ik iets later terwijl ik van mijn roze wolk afdonder.

“Oh. My. God. Wat goedkoop allemaal!”, blèrt ze terwijl haar hand keer na keer de rekken in duikt. Al plukkend, wrijvend en soms zelfs ruikend, vult ze haar donkerblauwe winkeltas. Pas wanneer haar honger naar eten wint van haar honger naar kledij, staakt ze haar zoektocht. Gepaard met acht shirtjes, twee hemdjes, drie setjes ondergoed, tien paar enkelsokken en een tapijtje vol franjes en kwasten verlaat ik uiteindelijk de winkel. Vanaf dat moment besef ik – hoe ironisch het ook is – dat het roze leven niet aan mij besteed is.

Een aantal weken later is mijn eerste opvoering, die tot nu toe erg gladjes verloopt. Ik mag mee naar de babyshower van een vriendin van mijn ex. Ik zie er goed uit, voel me nieuw en pas perfect binnen het meisjesachtige thema van het feestje. Ik krijg zelfs een complimentje over de verfijnde V-vorm van mijn snit. Mijn dag kan niet meer stuk! De opeenvolgende dag hang ik fris en fruitig te drogen aan de waslijn. Hoewel de geuren en kleuren van gister uit me gewassen zijn, waan ik me nog steeds euforisch. Ik speel zelfs een spel tikkertje met mijn buurmannen. Plots staak ik het spel wanneer ik kleine pluizige bolletjes zie op mijn hals. Oh nee het zal toch niet, denk ik ernstig. Ik zal toch niet de pluis hebben?! Een tijdje terug, toen ik nog een katoenbol was in Charleston, vertelde een vreemdeling mij over deze ziekte. “Na een wasbeurt kan je de pluis krijgen”, vertelde hij. Indertijd moest ik er niets van hebben. “Larie!”, proestte ik. “Waarom zouden wij de pluis van water krijgen? Heb je niet gezien hoeveel water er gebruikt wordt wanneer we geteeld worden? Duizenden liters, vriend! Eén wasje zal ons echt niet verzieken.”

De volgende ochtend, wanneer mijn ex de knijpers van me afhaalt, krijgt de katoenbol officieel zijn gelijk. Haar gezicht versombert. “Oh nee hè”, mompelt ze, “jij begint te pillen”. Eenmaal poogt ze mij te genezen van mijn talloze bolletjes, voor ze het opgeeft. Veel later leerde ik dat een scheermes mij genezen kon, al was het toen al te laat voor me. Ze voelt zich bedrogen door mijn teleurstellende uithoudingsvermogen en stopt me in de kledingkast. Op de één na hoogste verdieping nota bene. En daar heb ik een lange tijd gelegen.

Maanden die voelen als jaren verstrijken. Ze is uitgekeken op mij. Ik begrijp dat het oog ook wat wil, maar het gaat toch om het innerlijk? Soms rijkt ze mijn kant op, maar kiest dan altijd voor een boven- of onderbuur. Stapsgewijs zak ik naar de onderkant van de stapel, waar ik lig tot in de muffigheid. Later komt mijn tweede kans. Afgelopen jaarwisseling, om precies te zijn. Alle hens zijn aan dek, want er is een outfit nodig voor het feestje later op de avond. Haar keurig gesorteerde kledingkast is leeggeplunderd. Werkelijk overal slingeren kledingstukken. Dat tapijtje wat ze toentertijd samen met mij kocht, lag op één pluk franjes na bedolven onder een flinke bult galajurken.

In drie uur tijd heeft ze welgeteld met vijf vriendinnen gebeld, negenmaal gevloekt en tweemaal gehuild. Hoeveel kledingcombinaties ze aan heeft gehad weet ik niet precies. Ik raakte de tel kwijt bij veertig. Ware gekkigheid. “Je moet me helpen!”, hoorde ik haar jammeren aan de telefoon. “Heb je alsjeblieft iets te leen, ik heb echt niets te dragen voor vanavond.” Na een lange discussie met haar telefoon, ontvang ik het heugelijke nieuws. Ik mag als ondershirt mee het nieuwe jaar in!

Tijdens het feestje zit ik jammer genoeg niet zo lekker in mijn stof. Ik voel gespannen en trek me daarom geregeld terug. Mijn ex vindt het maar niets. Iedere keer dat ik me een klein beetje terugtrek, jankt ze mijn achtereinde omlaag. De garen op mijn rug gaan ervan omhoog staan. Het getrek blijft maar duren. Iedere keer als ik weer omhoog kruip, rukt ze me kordaat terug op mijn plek. Dat hertengewei onder mij heeft iedereen allang gezien hoor! riep ik bijna. Maar momenten later knapt er alsnog iets in mij. De stretch wordt me teveel.

Mevrouw – na een bubbeltje teveel – vindt het namelijk nodig om een demonstratie te geven van haar Argentijnse tangolessen. De Caminata en Baldosa gaan nog wel. Haar poging tot een Gacho is echter om te janken. Ze glijdt onderuit alsof ze op een glibberige banaan stapt en neemt haar danspartner mee ten onder. De druk wordt me teveel waardoor er een gat zo groot als een golfbal onder mijn oksel ontstaat. Mijn leven hing aan een katoenen draadje.

En zo kom ik hier terecht, in deze tjokvolle kledingcontainer. Geen idee wat de wereld voor mij in petto heeft. De enige troost die ik op dit claustrofobische moment heb, is dat ik verlost ben van mijn ex. Ze heeft me losgelaten zodat ik weer mag nadenken over een leven die niet draait om haar bovenlijf. Heerlijk om dat wederom te doen; ongeremd dromen. Speculeren over een perfect leven. Veeleisend ben ik niet hoor. Ik ben al tevreden als ik waardering krijg voor mijn leven als roze T-shirt. Of is dat teveel gevraagd?

Mud Magazine werkt samen met een groep afstudeerders van Fontys Hogeschool Communicatie. Ze kregen van ons de opdracht om content rondom het thema Stof voor de nieuwste editie van Mud te maken. Nick van Dommelen, maker van dit artikel, is één van deze studenten. Helaas konden we niet al het werk van de studenten kwijt in het magazine. Gelukkig is daar dan altijd nog de website.